Elke dag ga ik naar de universiteit. Ik studeer daar een halve dag. Na het diner werk ik op kantoor als manager. Ons kantoor is groot en mooi. Ons bedrijf verkoopt computers. Ik hou van mijn werk. Ik vertel mensen over computers. ’ s Avonds ga ik naar huis. Rond acht uur ga ik eten. Na het eten studeer ik. Daarna kijk ik tv. Rond elf uur ga ik naar bed.